Phoenix I

HOMEPAGE        LATIJNPAGE

Dag en nacht in de stad Rome

Kijk, daar is een Romeins forum.
Op het forum staan standbeelden, tempels
en monumenten. Overal rennen mensen.
Koopmannen haasten zich naar hun winkels.
Marcus en Critaulus haasten zich naar school.
Waarom haast Gaius Claudius Pulcher zich niet ?
Gaius is geen jongeman meer:
Grootvader is een oude man. Kijk, het is al nacht.
Nu schitteren sterren aan de hemel. Maar waar is de maan ?
De rivier de Tiber vloeit onder de bruggen.
Onder de bruggen zijn er soms rovers.
In de straten zijn er ook rovers.
De familie kan rustig slapen thuis:
Want op de Nieuwstraat waken soldaten.
Noch slaven, noch slavinnen werken in de keuken.
Vader is niet in zijn studeerkamer.
Nigra zit niet op een zuiltje.

 

De Minotaurus in het labyrint
Ieder jaar zenden de Atheners zeven
jongemannen en zeven meisjes naar Kreta.
Waarom zenden de Atheners ieder jaar zeven
jongemannen en zeven meisjes naar Kreta ?
Op het eiland Kreta woont koning Minos.
Koning Minos beheerst Griekenland.
In het paleis is er een labyrint.
In het labyrint dreigt veel gevaar.
Het labyrint heeft veel wegels: niemand
kan de uitgang vinden.
In het labyrint wonen geen mensen, maar de
Minotaurus woont er.
De Minotaurus is een verschrikkelijk monster.
Hij is deels mens, deels stier; hij
verslind niets anders dan mensen.
Ieder jaar eist Minos zeven jongens en zeven ùeisjes.
Kijk, ook dit jaar wacht Minos voor het
paleis jongens en meisjes op.
Soldaten leiden ze naar de gevangenis.
Eén van de jongemannen is Theseus.
Theseus is een mooie en dappere jongeman.
Minos heeft een dochter. De dochter is Ariadne.
Ariadne ziet Theseus en houdt van hem.
s'Nachts gaat ze naar de gevangenis en roept Theseus:
"Ik kan je redden." zegt ze : "Indien je me naar Athene leidt."
Theseus en Ariadne zijn het eens en zijn zeer blij.

 

De draad van Ariadne
Ariadne red Theseus op de volgende manier.
Ariadne gaat bij Daedalus, de architect van het labyrint.
Waarom gaat de dochter van de koning naar Daedalus ?
"Jij" zegt ze, "jij bent de architect van het labyrint.
Jij kan ons toch wel de weg door het labyrint wijzen ?"
Daedalus antwoord niet maar geeft haar een draad en een zwaard.
Ariadne geeft de draad en het zwaard aan Theseus.
De volgende dag leiden de soldaten van de koning de jongemannen
en meisjes naar het labyrint en sluiten ze op.
De jongemannen en meisjes vrezen het ergste.
Theseus gaat ook het labyrint in en
wikkelt de draad van Ariadne af.
Zo kan hij zijn weg altijd terugvinden.
Eindelijk vind Theseus de Minotaurus.
Dadelijk grijpt hij de kop van de
Minotaurus vast en met zijn zwaard vermoord hij hem.
Vervolgens neemt hij de draad en kan hij
de uitgang van het labyrint terugvinden.
Op dat ogenblik roept Theseus Ariadne.
Ariadne hoort zijn stem en is zeer blij.
Vervolgens vluchten Ariadne en Theseus
naar het schip en verlaten Kreta.
Nooit meer moeten de Atheners zeven
jongens en zeven meisjes naar Kreta zenden .

 

Odysseus bij de tovenares Circe
Odysseus roept zijn vrienden samen: "Vrienden," zegt hij , "
blijf hier en wacht op mij : ik wil het eiland verkennen."
Odysseus dwaalt over het ganse eiland:
Hij ziet lange rivieren, hoge bergen en onbekende bomen.
Hij ziet een groot en mooi gebouw.
Maar hij vind geen mensen in het gebouw.
In het bos kan hij een groot hert vangen.
Later keert hij terug naar zijn gezellen.
De gezellen groeten de aanvoerder en maken
het avondmaal gereed. Na het avondmaal vragen zij :
"Odysseus , wie woont hier ? En is er gevaar ?
Wat kunnen wij op het eiland vinden ?
Zijn er veel of weinig steden ?
En zijn er rechtvaardige of
onrechtvaardige mensen ? Wij vrezen allen ..."
"Vrienden,de sterren raden ons nu aangenaam slapen aan.
Door de lange nacht slapen we uren.
Maar Odysseus kan zelf niet slapen:
Het mooie gebouw komt dikwijls voor zijn
ogen ... Plotseling ziet de mooie Circe de Grieken.

 

Pygmalion
Pygmalion  werkt dagelijks in zijn werkplaats.
Hij maakt daar mooie standbeelden van marmer.
Dikwijls zegt hij :"Kom, Griekse mannen en Griekse vrouwen, naar mijn werkplaats en bekijk mijn standbeelden."
De Griekse mannen en Griekse vrouwen komen naar de werkplaats van
Pygmalion en bekijken de standbeelden.
Allen roepen ze : "Oh Pygmalion, hoe mooi zijn jouw standbeelden!" Op
een dag maakt Pygmalion een zeer mooi standbeeld.
Het standbeeld heeft lange haren, prachtige ogen en sierlijke lippen.
Pygmalion houdt van zijn standbeeld.
Maar de armen van het standbeeld zijn hard en de handen koud.
Pygmalion is droevig omdat het standbeeld niet leeft.
Maar hij kan het standbeeld niet levend maken: noch met
bloemen, noch met juwelen, noch met kussen.
Daarom gaat hij keer op keer naar de tempel van Venus,
de godin van de liefde,en daar draagt hij een offer op.
Hij roept de hulp van de godin in. Maar opnieuw en opnieuw keert  hij treurig terug naar huis.
Op een nacht gaat hij terug naar huis en naar zijn werkplaats. Maar
wat is dit? Hij ziet het standbeeld niet meer! Daarom gaat hij zitten en treuren.
Maar plotseling verschijnt een mooi meisje.
Lange haren, prachtige ogen, sierlijke lippen en een lieve stem.
De armen zijn zacht en de handen zijn warm.
Het meisje zegt : "Ik ben geen standbeeld meer, maar een meisje."
Pygmalion komt recht en roept het vrolijk uit :
"Venus heeft een wonder verricht!"
Niet veel later huwt hij het meisje  en
hij noemt haar Galatea.

 

Over het geduld van Socrates
 
Xanthippe, de echtgenote van de filosoof socratis, de vrouw was een twistziek en eigenzinnig iemand. Xanthippe snauwde Socrates dikwijls heftig toe en kwetste hem met vele en heftige woorden. Daarom verliet de filosoof het huis omdat hij niet was opgewassen tegen de woordenstorm.Met afhangende oren ging Socrates weg van huis en zat rustig bij de deur. Maar op een bepaalde dag ging Xanthippe naar boven in de slaapkamer, ze opende het venster en vandaar goot ze een pot vol stinkend vocht op Socrates uit. Maar door die regenbui wordt hij helemaal niet verplaatst en begint zijn kledij af te wassen.Twee mannen die voorbijgaan kijken naar de zwijgende man en vrouw en onder elkaar zeggen ze:"Hoe kan dit gebeuren" Maar Socrates antoordt hen:" Meestal regent het wanneer het heeft gedonderd."


Herculus en de leeuw van Nemea.

In Griekenland, nabij het stadje Nemea leeft een reusachtige leeuw,
door wie het vee wordt geroofd,honden en paarden worden bang gemaakt.
Jongens en meisjes, mannen en vrouwen worden gedood.
Zijn huidkan noch door pijlen, noch door stenen
 noch door een zwaard worden doorboord.rboord.
Daarom beveelt Eurystheus, de koning van de streek, Hercules
de leeuw te doden. Hercules ontvlucht  het werk niet, want hij draagt
de vijf geschenken van de goden bij zich : het
zwaard van Mercurius, pijl en boog van Apollo, een gouden harnas van Vulcanus, de
paarden van Neptunus,en een schild van ivoor van Jupitter. Ook heeft hij zelf een knuppel gemaakt die hij draagt.
Plotseling springt een leeuw uit het bos te voorschijn.
Eerst schiet Hercules de pijlen van Appolo af, maar de pijlen
kunnen de harde vacht van de leeuw niet doorboren.
Dan probeert hij de vacht te doorboren met het zwaard van Mercurius,
maar het zwaard buigt als een zwaard van was. Ten
slotte slingert hij de knuppel, maar de leeuw schudt slechts zijn kop heen en
weer. Omdat de wapens niet baten, probeert Hercules uiteindelijk
het beest met de blote hand te overwinnen. De
leeuw rukt Hercules zijn vinger af, toch slaagt Hercules erin de leeuw te wurgen!
Vervolgens stroopt Hercules het beest zijn pels af. Toen
keerde hij terug naar het paleis van Eurystheus, bekleed met de pels van de leeuw.

 

De adelaar en maaier
In het midden van de zomer Zwoegen
tien maaiers onder de brandende zon op het veld. Ze
zweten en ze hebben dorst, En na weinig uren Blijft
er geen water meer over. Dadelijk haalt de aanvoerder van de maaiers Davus bij zich,
Een van hem, en roept hem toe:
“Davus,” zegt hij, “ga naar de naburige fontein en haal ons water.”
Aan de fontein ziet Davus een adelaar,
Die wordt vastgehouden door een slang.
Die adelaar is dienaar en boodschapper van Jupiter.
Hij dood de slang met zijn sikkel en bevrijdt de adelaar.
Vervolgens schept hij water uit de fontein en
Keert terug naar de gezellen .
Eerst geeft hij grote bekers vol met water aan de gezellen,
Die ze gulzig leegdrinken.
Daarna wil hij zelf drinken.
Precies op dat moment daalt de adelaar uit de hemel neer en
Werpt de beker uit zijn handen.
Het water uit de beker vloeit in de aarde.
Eerst roept Davus woedend :
“Bedank jij zo je bevrijder?”
Maar plotseling ziet hij de negen gezellen sterven.
“Nu begrijp ik alles,” zegt hij:
“De fontein is door de slang vergiftigd.
Maar de adelaar bedankt mij nu.
En hij ontrukt mij van de dood ,
Omdat ik hem van de dood heb ontrukt.”

 

Over de ganzen van de Capitoolheuvel
Reeds lang belegeren de Galliërs de reusachtige citadel van de stad Rome. Dagelijks
naderen Gallische troepen de poorten van de citadel
En ze strijden daar met pijlen, lansen en zwaarden,
Maar zij kunnen de citadel niet binnengaan en de overwinning behalen.
Want de Romeinse soldaten vrezen de vijand niet.
Soms durven ze zelfs uit de citadel komen.
Buiten de poorten vechten de Romeinen hevig,
Maar zij kunnen de Galliërs niet op de vlucht jagen.
Maar de Galliërs, Die de bewapende poorten niet kunnen veroveren, Beproeven
een list om de poorten binnen te gaan. En zo in het midden van de nacht,
Beklimmen zij zwijgend het capitool. Op de berg slapen alle Romeinen: Vrouwen en meisjes slapen, Ook oude mannen en jongens slapen.
Weinig bewakers staan op de wallen en kijken rond,
Maar zij zien de Galliërs niet, want de nacht is duister.
Zij horen de Galliërs niet, want de Galliërs beklimmen zwijgend de berg.
De overige Romeinse soldaten slapen .
Zelfs de honden slapen. Maar de ganzen Die
gewoon zijn de tempel van Junote te bewaken, Slapen niet. Zij horen de Galliërs.
En roepen dadelijk en klepperen met hun vleugels.Op de wallen horen de Romeinse soldaten de ganzen en vragen:
“Waarom roepen die ganzen?”  De soldaten kijken rond: ze zien geen vijand. Opnieuw
roepen de ganzen. Nu wordt Marcus Manlius, een dappere man en een zeer
Goede soldaat , door het geroep van de ganzen gewekt en springt dadelijk
Uit zijn bed. Hij rent dadelijk naar de wallen en bemerkt de Galliërs.
Met een luide stem roept hij de overige Romeinen te wapen.
Intussen stampt hij een Galliër van de heuvel , en een tweede,
En een derde… Eindelijk komen de overige Romeinse soldaten naar de wallen
En werpen de Galliërs, die het Capitool beklimmen, Van de heuvel.De
Galliërs vluchten van de Capitoleinse heuvel en gaan uit Rome weg.
Zo is door de waakzaamheid van de ganzen,De
burcht van de stad Rome en de vrijheid van het Romeinse volk,
Gered.

 

Proserpina

Op een zekere dag
Dwaalt Proserpina met haar vriendinnen op een mooie weide.
De zon brandt, De vogels fluiten blije liedjes in de bomen En overal bloeien bloemen .
De meisjes plukken bloemen en keren terug naar Ceres.
Vlakbij de wei is een groot bos.
Proserpina ziet overal mooie viooltjes . Dadelijk rent ze het bos in en terwijl ze viooltjes plukt,
Gaat ze vooruit naar het midden van het bos. Plotseling opent de aarde zich:Twee zwarte paarden,
Die een zwarte renwagen trekken, Komen tevoorschijn. Pluto, de god van de onderwereld,
Die altijd onder de aarde woont, Grijpt het meisje in de renwagen En keert onmiddellijk terug naar de onderwereld.
Dan sluit de aarde zich, De zon gaat onder, De vogels houden op met zingen Enoveral overheerst de stilte.
Ceres zoekt overal angstig haar dochter en roept: “Proserpina,waar ben je ?Proserpina, antwoord!”
Ze weent en dwaalt door de duistere nacht,
Maar ze kan haar dochter niet vinden.
De volgende dag komt de zon op,Die
alles ziet, en onthult de verschrikkelijke daad van Pluto Aan Ceres.
Ceres is zeer triestig:
Ze wil niet meer eten en niet meer drinken, Op een rotsblok zit ze en ze treurt om haar dochter.
Samen met Ceres treurt de aarde; In de weide verwelken bloemen, In de wei groeit niets meer,
Mensen en dieren komen om van de honger.
Almachtige Jupiter, Vader van de mensen en goden,wiens ziel gekweld word.
Pluto, zijn broer, ontbiedt hem op de Olympus:
“Broer,”zegt hij: “overal op aarde heerst honger. Ik
zie mannen en vrouwen, oude mensen en kinderen, en dieren sterven. Ik wil die ellende beëindigen.
Daarom zal Proserpina gedurende zes maanden in de onderwereld blijven
En gedurende zes maanden op aarde bij haar moeder zijn.
Mijn besluit staat vast.” Dadelijk, Als Proserpina uit de onderwereld naar de aarde terugkeert, Gedurende zes maanden bij haar moeder: Is de aarde samen met Ceres blij, Ter ere van Proserpina. Overal bloeien bloemen En
in de bomen zingen vogels mooie liederen. Overal is de warmte van de zomer aangenaam.
Als Proserpina gedurende zes maanden opnieuw naar de onderwereld afdaalt,
Treurtde aarde samen met Ceres: Nergens groeien bloemen, Nergens zingen vogels.
Overal is de koude van de winter.

 

Wie van de twee is het sterkst? De zon,of de wind ?
Eens waren de zon en de wind het met elkaar oneens.
Dikwijls vroegen ze de maan, vaak ook de zee, dit ene:
"Wie van ons beiden is het
sterkst?" Omdat noch de maan, noch de zee konden
antwoorden, zei de wind zelf:
"De zon is toch zeker niet sterker,
die slechts overdag de aarde met warmte koestert?"
Waarop de zon zei:"De wind is toch
niet sterker, die niemand zien kan?" Tenslotte overtuigde de maan hen :
"Omdat jullie tweedracht door ons niet bedaard kan worden,
zoek op aarde een rechtschapen mens.
Hij zal wijs over jullie deugden
oordelen." Toevallig wandelde op aarde Antonius,
die noch familie, noch een huis bezat;
hij wou liever onder de open hemel leven. De wind zei aan de zon:
"Hij wint die de mantel van Antonius
schouders kan wegtrekken."
De zon gaat akkoord en lacht in stilte. Eerst begint de wind zich in te spannen.
Een koude en razende storm woed op aarde,
de bladeren, de takken, alle bomen werden door elkaar geschud.
Kinderen worden door hun moeders naar huis geroepen.
De kudden worden naar de stal gebracht.
Maar Antonius ging vooruit, en hield zijn
mantel met een stevige hand vast.
De wind, die reeds van zonsopgang waaide(blaasde),
kon zijn mantel niet van hem ontrukken.
eindelijk wanhoopt de wind en word hij
gedwongen zijn plan op te geven. Dan verschijnt de zon aan de hemel:
blij verlaten de mensen hun huis,
hun kinderen beginnen opnieuw te spelen,
de bloemetjes beginnen opnieuw te bloeien.
Gans de aarde wordt gekoesterd door de
warmte van de zon.
Ook Antonius voelt de warmte van de zon.
Nu eens zoekt hij de schaduw onder een een boom,
dan weer legt hij zijn voeten in het koele water van de stroom.
Maar zijn mantel legt hij nog niet af. De zon begint nog feller te branden.
Na een lange tocht gaat Antonius vermoeid zitten ,
en gulzig drinkt hij veel water.
Ten slotte, overwonnen door de warmte en de tocht,
maakt hij zijn mantel los. En hoog in de hemel zegt de zon lachend: "Het is beter," zegt
zij:"met welwillendheid en warmte te strijden, dan met geweld."